Hans Couzy
27 jan 03
Is: In het Srebrenica-dossier de grote stoorzender voor de politieke top op het
ministerie van Defensie. Vooral toenmalig minister Voorhoeve leek maar geen greep te kunnen krijgen op de
generaal, die het keer op keer nadrukkelijk voor zijn eigen manschappen opnam.
Lastpak: Het dwarse kenmerkte Couzy's hele periode als bevelhebber (1992-1996). Het leverde
hem de bijnamen lastpak-generaal en generaal Blindganger op. Couzy vond zichzelf niet lastig. "Ik ben geen
lastpak in de zin van dwars of tegendraads. Ik sta voor goede beslissingen voor mijn bedrijf en het
personeel. Daar kan ik heel vasthoudend in zijn', zei hij bij zijn vertrek.
Belang landmacht: Twee maanden na zijn aantreden als bevelhebber liet toenmalig minister Ter
Beek hem al een loyaliteitsverklaring tekenen. Aanleiding was een krantenartikel, waarin Couzy het tempo van
de hervormingen bij de krijgsmacht kritiseerde, terwijl hij met de minister had afgesproken daarover
voorlopig niets naar buiten te brengen. Couzy erkende dat hij die afspraak bewust had geschonden: "Omdat ik
de belangen van de landmacht liet prevaleren.'
Hij moest van Ter Beek daarop schriftelijk beloven diens besluiten onvoorwaardelijk uit te voeren. De
incidenten stapelden zich echter op. Couzy raakte in de clinch met de politiek door te verklaren dat Westerse
landen zich in ex-Joegoslavië in een 'tweede Vietnam' dreigden te storten (januari 1993); dat de Tweede
Kamer zich onvoldoende bewust was van de risico's die militairen in Bosnië liepen (maart 1993); dat hij
niets zag in luchtaanvallen boven Bosnië (begin 1994).
Grenzen loyaliteit: In juli 1994 werd de kersverse minister Voorhoeve geconfronteerd met de
uitspraak van de bevelhebber dat er grenzen zijn aan de loyaliteit van de landmacht. In een gesprek legde
Couzy de bewindsman uit dat hij het incasseringsvermogen van de militairen op het oog had. Die hadden immers
al jaren van bezuinigingen en inkrimping achter de rug.
Geen aanwijzingen genocide: Vervolgens verklaarde hij na de val van de moslim-enclave
Srebrenica in juli 1995 niet over aanwijzingen van genocide te beschikken, terwijl Voorhoeve en Pronk
(Ontwikkelingssamenwerking) eerder het tegendeel hadden beweerd. Ook verzuimde hij enkele maanden later de
minister in te lichten over de bevordering tot kolonel van Karremans, de commandant van Dutchbat tijdens de
val van de enclave.
Afscheid: Zijn afscheid werd tenslotte overschaduwd door zijn boek 'Mijn jaren als
bevelhebber', waarin Couzy onomwonden de slechte communicatie tussen de militaire en politieke leiding
schetste. Voorhoeve, maar ook fracties in de Tweede Kamer, waren 'not amused'.
Toch bleef Couzy erbij geen dwarsligger te zijn. "Al heb ik de schijn tegen, ik ben geen politieke generaal
geweest. Als bevelhebber gaf ik militaire adviezen aan de politieke leiding. Wanneer die eenmaal een besluit
had genomen, heb ik dat altijd loyaal uitgevoerd.'