Een overnachting op de Karames-grensovergang
10 apr 03
NOVA-verslaggever Willem Lust zit met zijn cameraman op de grens tussen Jordanië en Irak.
Grens Jordanië, 10 april 2003. Zie voor u de Karamesh-grensovergang tussen Jordanië en
Irak. De zon brandt en ik denk dat het een graad of 35 is. Links en rechts woestijn met veel verwaaid plastic
en wat half ingezakte huisjes, achter ons de weg naar Amman, voor ons de weg naar Bagdad. De Jordaanse
grenspost is gemarkeerd door een paar meters hoge bogen in de leegte. Heel mooi. We staan hier nu een uurtje
of vier en het zal nog wel even duren voordat we door kunnen richting Bagdad.
Eerst moeten de paspoortgegevens van, ik schat, 300 journalisten en aanhang worden verwerkt door de Jordaanse
grensbewaking. Dit is samengebald in een man met een oude computer. Als zijn monnikenwerk erop zit dan wordt
het startsein gegeven voor, ik schat, een stuk of 60 auto's die klaarstaan om naar Bagdad te racen. Er zijn
een paar grote satellietwagens bij, wat gepantserde jeeps, maar de GMC (Chevrolet) is hier favoriet. Het zijn
grote, benzineverslindende monsters waarin je toch nog vrij beroerd zit. Ik weet dat, want wij hebben er ook
eentje gehuurd voor een prijs die ik hier niet zal noemen. Want sinds de publieke omroep uit de
belastingmiddelen wordt gefinancierd, moet je een beetje voorzichtig zijn.
Voor dat geld kon de chauffeur Rachad er wel bij. En een apparaat om koffie te zetten in de auto. Dat is
fijn, want het is een lange reis. Bijna alle auto's hebben met tape heel groot de letters ' TV' op de auto
geplakt. Maar je kunt je afvragen of dat nou wel verstandig is gezien het enthousiasme waarmee de Amerikanen
op journalisten schieten. Wat is wijsheid? Je weet het hier eigenlijk nooit.
We zijn al gisternacht om elf uur vertrokken vanuit Amman. In de hoop met het eerste daglicht Irak in te
rijden. Maar vannacht zat de grens potdicht. Mijn goede collega Tom Kleijn heeft hier eerder hardnekkig
geprobeerd de grens over te steken en toen maar een appartementje op een kilometer of 90 van de grens
gehuurd. Hij moest voor een maand vooruit betalen dus wij hadden er nog recht op. Daar hebben we nog een paar
uur in redelijk comfort kunnen slapen. En 'we' zijn behalve Rachad en ik, Tim Dekkers, verslaggever voor
Netwerk en Peter van der Linden, een cameraman die meestal voor dat prachtprogramma werkt. Het is een en al
gezamenlijkheid dat de klok slaat. Het is zo best gezellig bij de Karamesh-grens.
Verder hangt hier de normale bende van Britse, Amerikaanse, Duitse, Japanse, Indonesische en lokale
journalisten rond. En verder cameramensen, chauffeurs, tolken, fixers en bodyguards (SAS, schat ik, een soort
kaalgeschoren bodybuilders). Ze horen allemaal bij de groep van mensen die over de wereld zwerft van de ene
brandhaard naar de andere: Irak, Afghanistan, Joegoslavië en Israël. Je kunt ze van afstand
herkennen door de broeken met zakken aan de zijkant, bergklimschoenen, visjacks, betrekkelijk veel zakken,
makkelijke zakjes aan de riem, T-shirts en hier en daar wat Palestijnse sjalen.
Tim komt nu net maar me toe met een briefje van de Jordaanse regering waarin ik erop wordt gewezen dat als ik
naar Irak ga, dat dat extreem gevaarlijk is. En als mij iets overkomt, dan moet ik Jordanië niet de
schuld geven. Dat briefje moet ik van Tim ondertekenen. Daarna moeten we aansluiten bij een enorme rij voor
de echt aller- allerlaatste Jordaanse grenspost en hoeven we nog maar 1 keer terug om een nieuw stempeltje
voor de autopapieren te halen. Maar dan mogen we door. Dan zijn we na een stukje niemandsland echt in
Irak.
Saddam lacht ons al van grote afstand ouderwets vrolijk toe. Er is ook een mooi standbeeld van hem op een
steigerend paard, het zwaard opgeheven richting Jordanië. Bij de hoeven van het paard vier raketten, ook
gericht op het westen. Op de grenspost is geen Iraakse grenswacht meer te bekennen. Gebouwen worden juist met
veel overtuiging door enkele lokale mensen geplunderd.
Moeite om de vele portretten van Saddam te vernielen doet niemand; ze zijn veel te druk met het naar buiten
slepen van het meubilair. Ze druipen af als er honderd journalisten tegelijk binnen komen. Er is een
VIP-ruimte met een indrukwekkende kristallen lamp, veel nep antieke meubels, wat marmer en wat affreuze
schilderijen van Iraakse vrouwen, kinderen, paarden én Saddam Hoessein.
Ikzelf vind de kamer waarin blijkbaar de commandant overnachtte, met een lekker groot bed en een keurige
badkamer. Ik doe de deur snel op slot, steek de sleutel in mijn zak en schrijf "NOVA-office, do not disturb"
op de deur. Ik ga ervan uit dat we hier overnachten want de zon gaat al onder.
Ik ben wel zo verstandig om Tim als eerste de WC te laten doortrekken want je weet nooit of een of andere
grappenmaker er een granaat in heeft laten hangen. Er gebeurt niets. De WC trekt door. Maar juist als we
allemaal fijn met warm water hebben gedoucht, comfortabel naar de WC zijn geweest, ontstaat er een beetje
paniek. Er zijn plunderende mannen met wapens gezien in een paar gebouwen. De door FOX-news ingehuurde
veiligheidsmensen vinden het niet verantwoord om te blijven. Het bataljon journalisten verdwijnt in hun
Chevrolets richting niemandsland.
En dan staan we nu met 61 voertuigen langs de weg. Er staat een enorme tent van een vluchtelingenorganisatie
die helemaal leeg staat. Maar wij mogen er niet in; we zijn wel tijdelijk dakloos, maar geen vluchtelingen.
Stel je voor dat er plotseling honderden vluchtelingen over de grens komen, dan is die tent vol. En dat kan
natuurlijk niet. Regels zijn regels. Hoe zou het toch komen dat Bush niet wil dat de VN zich bemoeit met de
nieuwe regering van Irak? (Dus leg ik mij straks neder onder de sterrenhemel, op een eigenhandig geplunderd
matras, met een vol buikje. Want ik heb net op een klein brandertje pakken bergbeklimmersvoedsel klaargemaakt
voor het hele team. Het was smullen. Morgen fijn naar Bagdad.)