Eindeloos wachten bij het museum
17 apr 03
NOVA-verslaggever Willem Lust zit in Bagdad.
Mocht u denken dat het enige glamour heeft om verslaggever in crisisgebieden te zijn voor een prestigieuze
televisiepubliek, dan had u er vandaag bij moeten zijn.
Vanuit Hilversum hadden wij de opdracht gekregen een onderwerp te maken over het plunderen van het Nationaal
Museum van Bagdad, iets als het Rijksmuseum maar dan met spulletjes die echt oud zijn. Iets als de
Nachtwachtwacht daar lachen ze hier om. Pas als iets 4000 of 5000 jaar oud is, dan worden de historici in
Irak een beetje geïnteresseerd.
Volgens het cliché is het land van Eufraat en Tigris 'De wieg van de beschaving' al is het duidelijk
wanneer je nu in het land rondkijkt, dat de toen ingezette lijn omhoog niet consequent is voortgezet. In elk
geval, veel van wat die oudere beschavingen hebben achtergelaten aan aardewerk en kleitabletten, ligt in het
Iraaks Nationaal Museum.
Sinds het vorig weekend is veel ervan kapot of spoorloos. In Hilversum was bedacht dat het leuk zou zijn als
ik met de directeur door het museum zou lopen en hij met losse handbewegingen zou aanwijzen waar hij had
gestaan.
Dan komen de praktische bezwaren. Na de grootste antiekroof in de geschiedenis te hebben meegemaakt zijn ze
bij het museum een tikje nerveus geworden en vastbesloten dat wat er nog over is ook te houden. Aan het
gesloten hek hing een bord waarin stond dat er op, iedereen die probeerde binnen te komen, geschoten zou
worden.
Ik heb het toch geprobeerd, samen met de chauffeur Rashad en cameraman Peter van der Linden. Het betekende
van tien uur 's ochtends tot vijf uur 's middags rondhangen bij het hek, samen met een wisselende groep
andere journalisten die ons ambitie om binnen te komen, deelden. Ook stonden er Amerikaanse soldaten die tijd
hadden gevonden om een van de grootste culturele schatten ter wereld te beschermen en om sigaretten bedelen
en Iraakse burgers die bij ons elektriciteit, stromend water en een einde aan het geschiet in de stad kwamen
eisen.
Helemaal nutteloos was het wachten niet. We konden filmen hoe Amerikaanse tanks het terrein van het museum op
kwamen. Een tank is een wat overdreven wapen om tegen plunderaars in te zetten, een geweer en een zweep,
lijkt me voldoende, maar de Amerikanen hebben er waarschijnlijk verder niets meer voor de tanks te doen. En
zo werden het asfalt van de oprijlaan en de tuin door de rupsbanden grondig omgeploegd, de
bewateringsinstallatie verwoest, lampen omgereden en het toegangshek grondig ontzet.
Allemaal leuk voor televisie. En verder kwam er af en toe iemand naar buiten, Amerikaanse militairen en
leidinggevenden van het museum, om afwisselend te vertellen dat het wel meevalt, of dat het een ramp is van
wereldschaal en om in een catalogus uit 1978 aan het wijzen wat er zoek is. En om mede te delen dat wij niet
binnen mochten omdat wij nog meer schade zouden aanrichten. Uiteindelijk hebben we er nog wel een onderwerp
van gebrouwen, zonder een voet in het museum te hebben gezet.
En dat was dus mijn dag. Wel de hele dag buiten, een lekker kleurtje gekregen. En toen we naar ons gezellige
hotelletje teruggingen, kwamen we ook nog gratis een bankoverval tegen die we konden filmen.