Blom: Van Kemenade heeft niet doorgevraagd
27 nov 02
Bekijk ook: Den Haag Vandaag 27-11-2002
Blom
Het rapport 'Omtrent Srebrenica', over een mogelijke doofpot bij Defensie, was zeer onvolledig. Onderzoeker
Van Kemenade stond bij het onderzoek onder grote tijdsdruk en heeft onvoldoende doorgevraagd. Daardoor wijken
zijn conclusies af van die uit het NIOD-rapport. Dat zei H. Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor
Oorlogsdocumentatie, woensdag voor de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica.
De heer Van Kemenade stelde in zijn rapport uit 1998 dat de top van de Landmacht tijdens en na de val van de
enclave niet bewust informatie had achtergehouden aan minister Voorhoeve. Blom hield vol dat er wel degelijk
onwil en onkunde was om de bewindsman onmiddellijk en op eigen initiatief in te lichten. Blom zwakte de harde
conclusies uit het NIOD-rapport over het onderzoek van Van Kemenade af door er op te wijzen dat deze niet
meer dan zes weken de tijd had om zijn werk te doen. De toenmalige minister van Defensie, De Grave, wilde
snel een gezaghebbend oordeel over een mogelijke doofpotaffaire. Van Kemenade trof die niet aan.
Blom constateerde dat met name de bevelhebber van de Landmacht, generaal Couzy, een vechthouding innam ten
opzichte van de centrale defensieorganisatie en de minister. Volgens de NIOD-directeur werd Couzy er zelden
op betrapt uit eigen beweging de minister te informeren. Dat begon al in Zagreb waar de Nederlandse
militairen na de val van Srebrenica in juli 1995 hun verhaal vertelden. Bij de plaatsvervanger van Couzy,
generaal Van Baal, was dat gebrek aan goede wil volgens Blom veel minder nadrukkelijk te bespeuren.
De NIOD-directeur bestreed dat uit zijn omvangrijke rapport, waaraan zes en een half jaar is gewerkt, kan
worden geconcludeerd dat het besluit tot uitzending van blauwhelmen naar Bosnië onvermijdelijk heeft
geleid tot de val van de veilige enclave Srebrenica. Die stelling heeft de commissie in de verhoren
herhaaldelijk betrokken.
Kemenade
Onderzoeker Van Kemenade houdt vol dat de top van de Landmacht niet bewust
informatie heeft achtergehouden voor minister Voorhoeve van Defensie over de val van de moslimenclave
Srebrenica. Van Kemenade, die in 1998 het rapport Omtrent Srebrenica opstelde, meent dat er geen bewijs is
van onwil bij de militaire top. Wel was de informatievoorziening 'ondeugdelijk'.
Van Kemenade zei dat woensdag tegen de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica. Hij zei dat hij zich
door de conclusies van het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie in zijn integriteit
voelt aangetast. Het NIOD stelde dat erwel degelijk sprake was van onwil en onkunde om de minister in te
lichten. Van Kemenade zei daarvan in het NIOD-rapport geen bewijzen te hebben gevonden.
Van Kemenade verzette zich tegen de suggestie van NIOD-directeur Blom dat hij in zijn rapport de waarheid
geweld had aangedaan. Hij zei dat hij ruimer de tijd had kunnen nemen voor zijn onderzoek als dat nodig was
geweest. Hij had zich niet aan een tijd gebonden.
Toenmalig minister De Grave had hem opgedragen zo spoedig mogelijk te rapporteren, maar dat niet eerder te
doen dan verantwoord was, aldus Van Kemenade. Blom had eerder op de ochtend verklaard dat Van Kemenade voor
zijn onderzoek niet meer dan zes weken had gekregen.
Volgens Van Kemenade valt de gebrekkige informatievoorziening en onderlinge communicatie toe te schrijven aan
structuur van de Defensie en aan het feit dat een van de onderdelen van die organisatie er niet aan gewend
was in het middelpunt van de publiciteit te staan. "De Landmacht lag op de hei te wachten totdat iemand over
De Muur kroop'', schetste Van Kemenande de houding. "De organisatie-onderdelen keken een verschillende kant
op.''
(Bron: ANP)