Het conflict
23 jan 03
De Joegoslavische burgeroorlog (1991-1995).
De deelrepublieken Kroatië en Slovenië zijn ontevreden over de hervormingen binnen de
communistische partij, en verklaren zich op 25 juni 1991 onafhankelijk. Een Servische minderheid is er echter
alles aan gelegen Joegoslavië bijeen te houden en probeert dat ideaal door middel van oorlog af te
dwingen. Een bloedige burgeroorlog breekt uit, die tot 1995 zal duren. De oorlog begint in Slovenië,
maar is daar snel voorbij omdat de Servische minderheid te klein is. Vervolgens verplaatst de strijd zich
naar Kroatië, waar de Serviërs worden gesteund door het Joegoslavische leger. Een bestand maakt op
3 januari 1992 een eind aan deze oorlog op Kroatisch grondgebied.
De bloedigste strijd wordt vervolgens gevoerd in Bosnië-Herzegovina, dat op 6 april 1992 als
onafhankelijke republiek wordt erkend door de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten. De Bosnische
Serviërs vrezen overheersing door de Bosnische moslims, de grootste bevolkingsgroep. Om dat te voorkomen
passen zij op grote schaal etnische zuiveringen toe en worden daarbij gesteund door het regime in Belgrado en
het Joegoslavische leger. Op 8 juni 1992 besluit de Veiligheidsraad om een VN-vredesmacht (Unprofor) naar
Bosnië te sturen. De Bosnische moslims zijn ondertussen massaal op de vlucht geslagen en verblijven
onder meer in zes door de VN uitgeroepen 'veilige gebieden': Sarajevo, Srebrenica, Zepa, Gorazde, Tuzla en
Bihac. Pas op 21 november 1995 wordt de strijd, met de ondertekening van
het akkoord van Dayton, gestaakt.